Een verhaal van afwijzen en koesteren

 

"Zottegem, Egmontstede" - vandaag taalkundig bijgeschaafd tot "Egmontstad" - luidde de slogan die in de jaren 1930 werd gelanceerd. Een slagzin die ten volle de aandacht onderschrijft die Zottegem aan deze 16de-eeuwer besteedt. Dat de Egmontstad echter lang niet altijd zo hoog opliep met de tragische graaf valt af te leiden uit de historiek van de plaatselijke Egmontmonumenten : het kasteel, het standbeeld en de grafkelder. (1) Het blijft ook een open vraag waarom Egmont zich zo sterk met Zottegem verbonden voelde. En moeten we nu "Egmont" of "Egmond" schrijven? In deze bijdrage zetten we een en ander op een rijtje.

 

 

 

(1) D. LAMARCQ, Drieduizend jaar Zottegem, Zottegem : Lions Club, 1989

 

 

 

© Danny Lamarcq

 

 

 

Een tragische graaf

 

Lamoraal graaf van Egmont (1522-1568) was een van de topedelen van de Nederlanden. Gefortuneerd en met tal van officiële functies bekleed - hij was onder andere Gouverneur van Vlaanderen en Artesië - speelde hij een belangrijke rol in de politieke en militaire wereld van zijn tijd. Bijna vanzelfsprekend werd hij meegesleept in de troebelen van de tweede helft van de 16de eeuw. Egmont raakte, samen met andere leden van de hoge adel, als Horne en Willem van Oranje, verstrikt in een kluwen waarover het laatste woord nog lang niet is geschreven. Samengevat gaat het om een tegelijk sociaal- economische, politieke en religieuze omwenteling waarbij de Nederlanden in geen tijd in een ware "burgeroorlog" verwikkeld raken. Edelen als Egmont kunnen zich niet verzoenen met de "superstructuur" die Filips II vanuit het verre Spanje boven hun hoofden uitwerkt. Ze gaan hiertegen protesteren en uiten dat protest onder andere door het gematigd optreden, zoniet sympatiseren met de religieuze protestanten. Maar onder die protestanten heb je niet alleen de gematigde calvinisten. In Frans- en West-Vlaanderen broeit een extremere vorm, met in het voortouw mensen uit wat we een vroege vorm van arbeidsproletariaat kunnen noemen; mensen die het niet begrepen hebben op de gefortuneerden. Mannen als Egmont komen zo"n beetje tussen hamer en aambeeld te zitten. Het wordt moeilijk schipperen, een dansen op een slappe koord. Egmont en Horne verliezen er letterlijk en figuurlijk het hoofd bij: op beschuldiging van majesteitsschennis worden ze in 1568 op de Brusselse Grote Markt onthoofd.

 

 

Verbonden met Zottegem

 

Het feit dat Lamoraal zich een vijftal jaren voor zijn dood een grafkelder laat bouwen in de Zottegemse kerk getuigt van zijn verbondenheid met deze stad. Waar die affectie op berust, blijft een open vraag. Was het omdat zijn grootvader Jacob II van Luxemburg-Fiennes (+1517) en zijn moeder Françoise (+1557) er begraven lagen? En als dat zo was, waarom hadden ook zij voor Zottegem gekozen? Was Lamoraal gehecht aan zijn kasteel in Zottegem, een van de vele die hij bezat? Misschien ligt hier wel een stukje van de puzzel. Het kasteel kwam in 1530 in handen van de Egmonts; Lamoraal zelf erfde het in 1541. Het moet op dat moment een schitterende residentie geweest zijn, voorzien van alle comfort, zoals blijkt uit de voorlopige resultaten van een opgravingscampagne. (2) Het was een kasteel dat op het einde van de vijftiende eeuw was opgetrokken ter vervanging van de burcht die in 1452 grondig was verwoest. Mogelijk was onze dichtbevolkte en relatief welvarende streek financieel bijzonder aantrekkelijk voor de graaf, een element dat allicht niet mag worden verwaarloosd.

 

 

 

Die verkleefdheid van Egmont aan Zottegem heeft echter haar keerzijde. Immers, tijdens de uiterst woelige en geweldadige tweede helft van de 16de eeuw beefden het kasteel - en Zottegem - mee met zijn illustere eigenaar. Zo vonden er in de jaren 1570 verscheidene plunderingen plaats.

 

 

 

(2) DIRK VAN EENHOOGE, Zottegem - Kasteel van Egmont. Archeologisch onderzoek - verslag, typoscript, 1994.

 

 

 

© Danny Lamarcq

 

 

De vergeten Egmont

 

Lamoraal werd na zijn onthoofding naar Zottegem gebracht en er bijgezet in de kerk. Later volgden nog de lichamen van zijn vrouw, Sabina van Beieren, (+1578) en van zijn zonen Filips (+1590) en Karel (+1620). De grafkelder werd dus tot in de eerste helft van de 17de eeuw gebruikt. Op het kasteel werd na de dood van Lamoraal beslag gelegd en het werd onder Spaans beheer geplaatst. In 1576 werd het formeel aan Sabina van Beieren teruggegeven en het bleef in handen van de Egmonts tot in 1707. In de kerk hield men jaargetijden voor de leden van de Luxemburg-Egmontfamilie, waarbij telkens graan aan de armen werd uitgedeeld. (3) Ondanks die duidelijke aanwezigheid van het geslacht Egmont tot in het begin van de 18de eeuw, werd de herinnering aan de "protestantse" Lamoraal blijkbaar uit het collectieve geheugen gewist. Het was in de katholieke Zuidelijke Nederlanden nu eenmaal niet bepaald bon ton om met de tragische graaf te dwepen. De familiegraven raken in vergetelheid en wanneer tegen het einde van de 18de eeuw het Egmontthema opnieuw in de belangstelling komt, onder impuls van de Romantiek (Goethe, Schiller, Beethoven, ...) weet niemand meer de exacte begraafplaats aan te wijzen. (3) FRANS WATTE, Zottegem 17e-18e eeuw, 29e Jaarboek van de Zottegemse Culturele Kring, Zottegem, 1986, p.294

 

© Danny Lamarcq

 

 

Getouwtrek om een standbeeld

Tijdens herstellingswerken aan het koor van de dekenale kerk in 1804 stuitte men op twee loden kisten. De ene bevatte het gebeente van Lamoraal ; in de tweede lagen de resten van Sabina van Beieren, samen met drie hartvormige loden doosjes waarin de harten zaten van Egmont en twee van zijn zonen. Ondanks de ruime belangstelling voor deze ontdekking was de tijd nog niet rijp voor een Egmonthulde. Pas in 1815, wanneer onze gewesten deel gaan uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden, lanceren een aantal notoire royalisten - o.a. op initiatief van de Gentenaar F. De Bast - de idee om een standbeeld voor Egmont op te richten. Drie jaar later staat een beschermcomité op poten en de Brugse beeldhouwer Calloigne - de "hofbeeldhouwer" van koning Willem I - exposeert al in 1820 een plaasteren model. Men stelt een comité samen om de nodige gelden in te zamelen en om de werken te coördineren en in 1824 wordt op de Zottegemse markt de sokkel geplaatst voor het Egmontstandbeeld. Maar dan keert het tij : in 1830 wordt België onafhankelijk en een standbeeld voor een protestant kan plots niet meer. De Zottegemse rederijkerskamer De Suyghelingen van Polus vaart toch tegen de stroom in door in 1835 een prijskamp uit te schrijven onder het thema "De dood van Egmont". Prijswinnaar Prudens van Duyse - de gekende Gentse literator - doet bij die gelegenheid een emotionele oproep voor het plaatsen van het standbeeld.

 

 

 

Omstreeks 1850 krijgt het Egmontthema opnieuw nationale belangstelling. Louis Gallait behandelt in een paar werken het thema - bijvoorbeeld het nu in de raadzaal van het Zottegemse stadhuis hangende "De Laatste Eerbewijzen aan de graven Egmont en Horne"-, maar dé doorbraak komt er in 1854 met het boek van procureur-generaal Edmond De Bavay waarin hij de "onschuld" van Egmont "aantoont". Zowel in Brussel als in Zottegem wordt nu de tijd rijp geacht om Egmont letterlijk op een voetstuk te plaatsen. In de Egmontstad wordt bij de inhuldiging van de crypte (1857) een emotionele oproep gedaan door Eugène Van Damme, de zoon van de burgemeester tijdens wiens ambtstermijn de sokkel was geplaatst en ook Prudens Van Duyse doet opnieuw zijn duit in het zakje. Het resultaat is de oprichting van een beschermcomité en in 1862 kan de stad het plaasteren model van Calloigne kopen. Het stadsbestuur kijkt echter voorlopig de kat uit de boom en hengelt naar overheidssteun, voor de nu nationale held. Zottegem krijgt tussen 1870-72 een fikse subsidie en in 1872 wordt naar het plaasteren model een gietijzeren Egmont gegoten te Parijs. Wanneer het standbeeld eind 1872 op zijn sokkel wordt geplaatst, is de lokale overheid niet onmiddellijk bereid het in te huldigen. De coalitie was intussen gewisseld en het zal nog vijf maanden duren vooraleer Egmont echt zijn vaste stek krijgt. De ijzeren man siert het marktplein tot september 1967. Dan wordt de "verweerde" Lamoraal van zijn voetstuk gelicht en vervangen door een bronzen copie. Maar het standbeeld blijkt nog dermate degelijk te zijn dat men het verplaatst naar het Egmontpark. Sinds het "Egmontjaar" 1968 is Zottegem dan ook de enige stad met twee identieke standbeelden op minder dan 500 meter van elkaar...

 

 

Het ontbrekende beentje

 

Zoals gezegd, werden de graven van Lamoraal en zijn vrouw na hun "ontdekking" in 1804 terug dichtgelegd. Eerst na het verschijnen van het ophefmakende boek van De Bavay was het moment gekomen om het gebeente van de illustere graaf te exposeren. Daartoe werd in 1857 onder de kerk een crypte gebouwd waarin de loden kisten werden tentoongesteld. Ingevolge de weinig adequate conservatie waren de gebeenten honderd jaar later toe aan een opknapbeurt ; ook de grafkelder kreeg een facelift.

 

 

 

Stuk voor stuk initiatieven waarin Leon De Vos, de drijvende kracht achter de Egmontrevival in Zottegem, een stevige hand had.

 

 

 

De vernieuwde crypte werd twee keer ingehuldigd, een eerste keer in 1951 wanneer de loden kisten in bronzen sarcofagen werden gevat, een tweede keer in 1954 toen de skeletten na een conserveringsbehandeling opnieuw werden bijgezet. Eén beentje ontbreekt : de halswervel die de sporen van de onthoofding draagt. Het gekliefde kleinood werd, na jaren stille rust ergens in een kluis, in 1984 in een reliekschrijn gevat. Sindsdien prijkt het in de raadzaal van het stadhuis.

 

 

'Une ruine qui n'était plus habitable ni sortable'

Het Egmontkasteel, als burchtsite minstens tot de 11de eeuw opklimmend, was van 1530 tot 1707 in handen van de Egmonts. Het kende in de loop van de eeuwen verscheidene transformaties en moet zijn grootste grandeur hebben gehad op het einde van de 15de en in het begin van de 16de eeuw. In 1707 wordt het geërfd door de Pignatelli"s en met hen begint de definitieve aftakeling. In 1767 wordt het in de Gazette van Gent in cijnspacht te koop aangeboden, maar het was zo sterk vervallen dat men afficheert : ""t en waere iemant liever hadde te koopen alle materialen, zoo arduyn, steen, balken, rebben, ijzerwerk ende lood ...". Gelukkig wordt het goed min of meer opgeknapt en overleeft het de Franse Revolutie. In 1830 wordt het tot een tweewoonst verbouwd en wanneer in 1867 de erfpacht vervalt, kopen Julien Ceuterick (zuidelijk gedeelte) en Charles Vandemergel (noordelijk gedeelte) het pand. Datzelfde jaar laat Ceuterick een trapgevel met verdieping bouwen, evenals een voorgevel in neorenaissancestijl naar een ontwerp van de Gentse architect E. van Hoecke. In 1927 worden de resten van de vestingmuur gesloopt en de wallen gedempt. De Egmontstraat kwam in de plaats. Het noordelijke gedeelte wordt in 1957 door de stad gekocht. Het zuidelijke deel - waar van 1938 tot 1948 de Sint-Elisabethkliniek een eerste onderkomen vond - werd pas in 1965 gemeente-eigendom. Het kasteel, nog slechts een schim van wat het in de 16de eeuw moet zijn geweest - werd voor alles en nog wat gebruikt (stedelijk museum, tekenacademie, kunstkelder, ...). Sinds september 1982 vindt de bibliotheek er onderdak. Ten behoeve van de bibliotheek werd in 1986 aan de zuidgevel een nieuwbouw opgetrokken en in 1996 werd het kasteel grondig gerenoveerd, met aandacht voor de noden van een moderne bibliotheek Van de gelegenheid werd gebruikt gemaakt om op de kasteelsite archeologisch onderzoek te verrichten. Hierbij kwam de 15de eeuwse omwalling aan de oppervlakte, evenals onder andere de 12de-eeuwse kapel, de vroegste kerk van Zottegem. Een deel van de omwalling werd gereconstrueerd en in het maaiveld werden in dolomiet de concturen van de kapel en van de 15de-eeuwse gebouwen gevisualiseerd.

 

 

 

D of T

Over de vraag of Egmont nu met d of t dient geschreven kan geen eenduidig antwoord worden geformuleerd. Voorstanders van de "d" argumenteren dat Egmont, wiens stamgebied in het Nederlandse Egmond-aan-den-Hoef ligt, naar analogie met die plaatsnaam met een "d" dient geschreven. (4)

 

 

 

De "t" snijdt allicht meer hout. (5) In de historische bronnen werd de naam van de Egmonts meestal met "t" geschreven en ook de Hollandse plaatsnaam werd vroeger met "t" gespeld. Dat in de 19de eeuw, onder invloed van de verfransing, de schrijfwijze Egmond ingeburgerd raakte, kan geen argument zijn om de "t" overboord te gooien.

 

 

 

(4) NESTOR VAN DEN BOSSCHE, Egmon(t)(d)?, in : De Beiaard, 29.8.1992.

 

 

 

(5) DANNY LAMARCQ, Egmont!, in : De Beiaard, 5.9.1992.

 

 

 

© Danny Lamarcq